Wie is de mol...?

mr. Vincent Walravens RB (Directeur Fiscaal)

In mijn vorige column van maart eerder dit jaar merkte ik op dat, wanneer er nog nieuwe soapafleveringen zouden volgen, ik die graag weer met u deel.

Box 3 is al geruime tijd het ‘kijkcijferkanon’ en dat zal nog even voortduren. Staatssecretaris Eelco Eerenberg heeft begin september dit jaar zowel de Eerste als Tweede Kamer middels een ‘Stand-van-zakenbrief’ keurig schriftelijk gemeld dat tot medio zomer dit jaar zo’n dik 850.000 formulieren ‘Opgaaf Werkelijk Rendement Box 3’ door de Belastingdienst zijn ontvangen. Daarvan is thans het grootste deel daadwerkelijk verwerkt en om en nabij zo’n 15% daarvan is niet in behandeling genomen. Het deel dat is verwerkt leidt volgens de Staatssecretaris in alle gevallen voor de betreffende belastingplichtigen tot een teruggaaf van eerder (teveel) betaalde Box 3 belasting. So far so good.

De Staatssecretaris meldt tevens in zijn brief dat de verwerking van de formulieren ‘Opgaaf Werkelijk Rendement Box 3’ tot een teruggave van Box 3 belasting van in totaal zo’n 969 miljoen euro heeft geleid, afgerond is dat één miljard. Dat is een hoop belastingpoen. Voor de gehele Box 3 herstelactie zijn door de vorige kabinetten echter bedragen geraamd én gereserveerd van een flink veelvoud daarvan, zo’n 16 miljard euro totaal bezien. Betekent dit dat een ‘feel-good-aflevering’ aanstaande is? Ik ben bang van niet. De Staatssecretaris merkt nadrukkelijk op in zijn brief, dat de door hem genoemde informatie als “tussenstanden” moeten worden beschouwd en het daarom thans veel te vroeg is daaraan budgettaire conclusies te verbinden. Daarnaast meldt de Staatssecretaris dat er nog Box 3 bezwaarprocedures door de Belastingdienst moeten worden afgehandeld idem ingediende verzoeken formulieren ‘Opgaaf Werkelijk Rendement Box 3’.

U hoeft geen rekenwonder te zijn om te kunnen vaststellen dat het verschil tussen 16 en thans afgerond één miljard euro op z’n zachtst gezegd toch een aanzienlijk bedrag is. De Staatssecretaris ziet dat uiteraard ook en voorziet voorzichtigheidshalve toch al wat gepaste feestvreugde want hij merkt in de brief op dat - citaat: “de realisatiecijfers tot nu toe erop lijken te wijzen dat het totale budgettaire beslag van het herstel mogelijk lager kan uitvallen dan destijds geraamd”.

En nu? Mag ‘belasting betalend Nederland’ dan in alle redelijkheid rekenen op een dito fiscale lastenverlichting? Ik vermoed wederom van niet. Verwijzende naar het regeerakkoord 2026 – 2030 genaamd “Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland” van 30 januari 2026, daarin is opgemerkt dat het kabinet bij financiële meevallers kortweg gezegd deze voor een derde deel inzet voor aflossing van de Staatsschuld; voor de liefhebbers, verwijs ik naar de zogenaamde ‘meevaller-formule’. Daarnaast heeft een Kamermeerderheid afgelopen zomer reeds al een motie van ‘Pro’ gesteund dat kortweg gezegd financiële Box 3 meevallers niet mogen worden ingezet om daarmee belastingkortingen te realiseren voor de Box 3 belastingbetaler. Reden voor een fiscaal feestje, niet echt en mijn hoop op een ‘feel-good-aflevering’ verdampt al weer snel.

Niet getreurd ‘beste kijkers’, er zijn nog talloze andere programma’s te kiezen. Wat te denken van ‘Wie is de mol’? Een programma waarin een aantal kandidaten samen verblijven en opdrachten moeten uitvoeren. Een van de kandidaten krijgt de opdracht om het te spelen spel te gaan verstoren en die kandidaat probeert dat zo lang als mogelijk geheim te houden.

Het is Prinsjesdag 2026, de dag dat ik deze column aan het ‘pennen’ ben en ‘Wie is de mol’ heeft toch wel raakvlakken met Prinsjesdag. Ieder jaar weer zijn er (nieuwe) ‘mollen’, politiek Den Haag spreekt over ‘lekken’, in aanloop naar Prinsjesdag. Een van die ‘mollen’ verstoort ieder jaar weer vroegtijdig het ‘Haagse festijn’ en heeft bijvoorbeeld dit jaar vooraf al gemeld dat het kabinet het niet is gelukt om een besluit te nemen over de per 2028 in te voeren Box 3 Wet en het kabinet daarom ook geen novelle zal indienen bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. In hoeverre dat ‘prangend fiscaal nieuws’ is, dat laat ik voor wat het is, aangezien het gehele Belastingplan jaarlijks door de ‘mollen’ met de media wordt gedeeld, nog vóórdat de Koninklijke stoet bij paleis Noordeinde in de startblokken schiet. Het ‘lekken’ hoort er inmiddels al lang en breed bij, maar de vraagt blijft toch jaarlijks: ‘Wie is de Mol’?

Prinsjesdag is een politiek ‘feestelijke dag’ en laat ik u in dat kader tot slot verblijden met het aanstippen van een aantal fiscale ‘highlights’, verwijzende naar het Belastingplan 2027, die binnen het midden- en kleinbedrijf de komende tijd, aandacht zullen krijgen en verdienen:

  • Het wettelijk vastgelegd vermoeden van onzakelijk handelen, verwijzende naar de fiscale splitsings- en bedrijfsfusie faciliteit, is niet in overeenstemming met de Europese Fusierichtlijn en wordt daarom geschrapt en daardoor stopt de mogelijkheid om kortweg gezegd, vooraf zekerheid over het wel of niet zakelijk handelen te verkrijgen;
  • Wekgevers zijn verplicht een pseudo-eindheffing te betalen van 12%, gerekend over de cataloguswaarde van de auto van de zaak, wanneer die auto niet geheel emissievrij is. Het overgangsrecht is iets verder opgerekt en is verlengd tot en met 31 december 2030. Tevens zijn versoepelingen aangebracht, zoals voor auto’s die kort beschikbaar worden gesteld en niet geheel emissievrij zijn, wanneer sprake is van een korte periode in verband met onderhoud en reparatie;
  • Vanaf 2027 geldt voor nieuwe geheel emissievrij auto’s een bijtelling van 20 procent, gerekend over de cataloguswaarde, tot een bedrag van 30.000 euro en de minimumleeftijd voor zogenaamde ‘youngtimers’ gaat vanaf 2027 naar 17 jaar en naar verwachting vanaf 2028 naar 20 jaar;
  • Werkgevers mogen als gevolg van de stijging van de brandstofkosten een vrijgestelde kilometervergoeding voor werknemers verstrekken van 25 cent per kilometer, met terugwerkende kracht naar 1 januari 2026 (was al eerder bekend);
  • Er treedt per einde jaar 2026 naar verwachting een nieuwe Wet in werking waarbij zelfstandigen met een laag uurtarief (indicatief voor 2026 is dat 38 euro per uur), zich kunnen beroepen op het rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De opdrachtgever verkrijgt dan vervolgens de bewijslast toebedeeld om aan te tonen dat daarvan geen sprake is;
  • De zelfstandigenaftrek gaat omlaag naar 900 euro en de startersaftrek is vanaf 2027 sterk versoberd tot – jawel, slechts nog 10 euro en zal vanaf 2028 geheel komen te vervallen.

mr. Vincent Walravens RB (Directeur Fiscaal)